Veelgestelde vragen
  

Wat is het bindend studieadvies?

Het bindend studieadvies (BSA) is in feite een studieadvies zoals die nu al op de TU/e gegeven wordt alleen dan bindend.
Van een student die als ‘voltijd student’ staat ingeschreven, wordt verwacht dat hij/zij aan het eind van het eerste jaar van inschrijving (de propedeutische fase) aan een bepaalde norm heeft voldaan. Meestal is dat een bepaald aantal ECTS uit het  eerstejaars programma. Als niet aan deze norm(en) is voldaan kan een negatief bindend studieadvies worden uitgebracht. Uitzonderingen hierop zijn persoonlijke omstandigheden. Een negatief bindend studieadvies houdt in dat de inschrijving van de student aan die opleiding wordt beëindigd en dat die student zich niet meer kan inschrijven voor die opleiding aan de TU/e voor een bepaalde periode.

To top

Waarom komt er aan de TU/e een BSA?

Het College van Bestuur (CvB) heeft aangegeven dat zij middels, deze maatregel wil laten zien bezig te zijn met een kwaliteitsslag. Voorts ziet het CvB in het BSA een middel om studenten beter te laten presteren en om te voorkomen dat ongeschikte studenten nog jarenlang vergeefs blijven proberen hun bachelor af te ronden. Ook is volgens hen de maatregel een middel om druk op de opleidingen uit te oefenen om ‘tiptop’ in orde te zijn.
Volgens het CvB worden door het BSA slecht presterende studenten die een bijzonder lage kans van slagen hebben, tegen zichzelf beschermd door  ervoor te zorgen dat die niet onnodig lang op de opleiding zitten.

To top

Krijgen alle faculteiten/opleidingen een BSA?

Het advies van de BSA werkgroep is om aan alle faculteiten het BSA in te voeren.

To top

Mag het BSA zomaar worden ingevoerd?

Ja; de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)  biedt  in artikel 7.8b de mogelijkheid aan instellingen om het BSA onder bepaalde voorwaarden in te voeren. 

To top

Wat zijn de wettelijke voorwaarden voor het invoeren van het BSA?

Die voorwaarden staan vermeld in de WHW artikel 7.8b.
In het kort komt het erop neer dat:

  • Een BSA alleen wordt uitgebracht als er in de propedeutische fase zodanige voorzieningen zijn dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd
  • Er een tussentijds advies wordt gegeven zodanig dat de student zijn studieresultaten nog kan ophalen
  • Rekening gehouden dient te worden met bepaalde persoonlijke omstandigheden

To top

Wat is de norm en hoe wordt die bepaald?

De projectgroep BSA heeft een norm van 30 ECST geadviseerd.
Wel is de TU/e wettelijk verplicht om rekening te houden met bepaalde persoonlijke omstandigheden bij het uitbrengen van een BSA.

To top

Is de norm uniform?

Het is nog niet bekend of alle faculteiten dezelfde norm(en) zullen hanteren bij het afgeven van het BSA.

To top

Wat betekent het BSA voor mij?

Voor de huidige generatie studenten gaat er niets veranderen. Alleen de studenten die zich voor het eerst bij een opleiding inschrijven zullen te maken krijgen met het BSA als de TU/e besluit tot de invoering over te gaan. Het is te verwachten dat dit zal gaan gelden voor het cohort van 2009/2010.

To top

Kan een student met een negatief BSA zich nog inschrijven voor een andere opleiding aan de TU/e?

Studenten die een BSA krijgen, kunnen zich wel inschrijven voor een andere opleiding aan de TU/e, een andere universiteit of hogeschool.

To top

Kan een student met een negatief BSA zich voor dezelfde studie aan een andere universiteit of hogeschool inschrijven?

Het is mogelijk dezelfde studie voort te zetten aan een andere universiteit. Het BSA geldt namelijk alleen voor de opleiding aan de TU/e en niet voor een opleiding aan een andere universiteit.

To top

WHW Artikel 7.8b Studieadvies propedeutische fase

  1. Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

  2. Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

  3. Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

  4. Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

  5. Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen.

  6. Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.

  7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

  8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.

To top

Uitvoeringsbesluit WHW: Artikel 2.1 Persoonlijke omstandigheden bij bindend studieadvies en verwijzing naar afstudeerrichting

1.      De persoonlijke omstandigheden bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, derde lid, van de wet, zijn uitsluitend:

a.   ziekte van betrokkene,

b.   lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van betrokkene,

c.   zwangerschap van betrokkene,

d.   bijzondere familieomstandigheden,

e.   het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:

1.   bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan,

2.   bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie,

f.     andere in de regelingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid, van de wet door het instellingsbestuur aan te geven omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de zaken van de instelling,

g.   het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel van een vergelijkbare organisatie van enige omvang, bij wie de behartiging van het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijk activiteiten ontplooit.

2.      Het instellingsbestuur kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel g, nadere regels vaststellen omtrent het aantal bestuursleden dat ten hoogste per organisatie per studiejaar in aanmerking komt, zomede omtrent welke bestuursfuncties in aanmerking komen.

To top